Jurisprudentie juli 2018

Judith Doorschot en Ronald Gijsel (M+P), juli 2018

(Daniëlla Nijman is met verlof. Judith Doorschot en Ronald Gijsel vervangen haar de komende maanden.


Verkeerslawaai

Dordrecht, ABRvS, 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2137

Tegen het bestemmingsplan “Chw bestemmingsplan Dordtse Kil IV” is beroep ingesteld door Milieudefensie, het Nationaal Landschapskundig Museum en enkele omwonenden.

Een van de omwonenden voert aan dat het plan op zijn woning leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat door cumulatie van verkeersgeluid met een aantal bronnen.

De raad erkent dat er in de huidige situatie al een hoge geluidbelasting is, maar stelt dat het woon- en leefklimaat niet wezenlijk veranderen, ook niet cumulatief.

Het feit dat wordt voldaan aan de in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer gestelde normen, indiceert volgens de Afdeling dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Echter, de beoordeling dient zich ook te richten op de aspecten die niet in de sectorale wetten geregeld zijn, zoals in dit geval de geluidbelasting op de tuin, ook cumulatief.

Voor het voorheen geldende bestemmingsplan uit 2013 was geen akoestisch onderzoek is gedaan naar de geluidssituatie voor dit specifieke perceel. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de raad de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat bij deze woning destijds niet volledig heeft afgewogen en beoordeeld, zodat dat nu alsnog had moeten gebeuren. De vaststelling dat de geluidsituatie niet verslechtert is daarom niet voldoende. Er had ook een beoordeling moeten worden gegeven naar aanleiding van de al bestaande zeer hoge geluidbelasting op de woning en de hoge geluidbelasting op de tuin. Op dit punt is het beroep is gegrond.

Tegelijkertijd richten ook Milieudefensie en het Nationaal Landschapskundig Museum hun pijlen op de vraag of op een groot aantal woningen nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Deze vraag richt zich alleen op de effecten van extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Uit de stukken blijkt dat Dordtse Kil IV slechts een beperkte verkeerstoename veroorzaakt. De Afdeling concludeert dat de extra verkeersbewegingen slechts een gering effect hebben op de geluidssituatie en de luchtkwaliteit en dat er geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat. Op dit punt is het beroep niet gegrond.

A16 / N3 Dordrecht, ABRvS, 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2078

Een omwonende van de A16 / N3 tekent beroep aan tegen de wijziging van GPP’s op 148 referentiepunten. Ten eerste wordt behandeld of dit beroep ontvankelijk is. Ondanks dat op de woning van de appellant een verlaging van de geluidbelasting is voorzien, acht de RvS het beroep ontvankelijk. De appellant heeft wel belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep;er kan immers worden geoordeeld dat verdergaande maatregelen noodzakelijk zijn.

De appellant wil een geluidscherm. In het akoestisch rapport is beschreven dat het budget dat vanuit het doelmatigheidscriterium wordt toegekend (9800 reductiepunten) wordt besteed aan de toepassing van tweelaags ZOAB. Omdat na toepassing van deze bronmaatregel geen reductiepunten resteren, zijn overdrachtsmaatregelen, zoals een geluidsscherm, niet nader onderzocht. Omdat de stelling dat ten onrechte geen geluidscherm is toegepast niet nader is onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat naast tweelaags ZOAB een geluidsscherm had moeten worden toegepast.

Ook het betoog dat rekening had moeten worden gehouden met cumulatie, vindt geen gehoor. De geluidbelasting ten gevolge van de A16 / N3 bedraagt 71 dB en ook de gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 71 dB. De gecumuleerde geluidbelasting geeft daarom geen aanleiding om niet doelmatige maatregelen toe te passen.

Koudekerk aan den Rijn, ABRvS, 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2081

Het gaat om het bestemmingsplan “Rijnpark, Koudekerk aan den Rijn”. Dit plan wordt op een aantal punten bestreden; hieronder volgen de punten (met betrekking tot het thema geluid) waarbij de appellanten in het gelijk werden gesteld.

Voor de woningen aan de Hoogewaard zijn geen hogere waarden vastgesteld, omdat de Hoogewaard ingericht zal worden als een 30 km-weg. Echter, op het moment van de vaststelling van het bestreden plan had het college nog geen besluit had genomen tot het instellen van een maximumsnelheid van 30 km /u. Dat betekent dat de Wet geluidhinder in acht had moeten worden genomen en zo nodig hogere waarden vastgesteld hadden moeten worden. Het beroep is op dit punt gegrond.

Volgens een appellante is verder ten onrechte geen akoestisch onderzoek verricht naar de geluidhinder vanwege wegverkeer bij de bestaande woningen, waaronder de hare. De in het plan toegestane woningen zullen volgens haar tot een toename van het wegverkeerslawaai leiden. Zij wijst in dit verband ook op de ontsluitingsweg voor de nieuwe woonwijk. Ze wordt op dit punt in het gelijk gesteld: er had onderzoek gedaan moeten worden naar de toename van de geluidbelasting op de woningen.

Emmen, ABRvS, 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2237

Omwonenden van de spoorlijn tekenen beroep aan tegen het bestemmingsplan “Emmen, Delftlanden station Emmen-zuid”. Het plan voorziet in de verdubbeling van het spoor over een lengte van 600 meter bij station Emmen-Zuid en de bouw van een tweede perron.

De omwonenden betogen dat ten onrechte van uitgegaan dat het hier geldende geluidproductieplafond en de nog beschikbare geluidgebruiksruimte kan worden benut voor een nog niet geprojecteerd spoordeel, dat nog niet op de geluidplafondkaart staat.

Echter, de hoofdspoorweg Zwolle-Mariënberg-Emmen is wel aangegeven op de geluidplafondkaart. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de spporverdubbeling ook onder de hoofdspoorweg valt. De geluidplafondkaart spoor is globaal van opzet, zodat daarop niet is te zien uit hoeveel sporen een hoofdspoorweg bestaat. De geluidproductieplafonds worden niet overschreden, dus het is redelijk om aan te nemen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder.

Verder betogen de omwonenden dat het plan leidt tot een onevenredige toename van de trillinghinder ter plaatse van hun woningen. De raad stelt dat uit onderzoek van Movares blijkt dat sprake kan zijn van een overschrijding van de SBR B-richtlijn voor vier woningen, maar dat dit nergens leidt tot een voelbare toename van trillinghinder. Uit het maatregelonderzoek is naar voren gekomen dat maatregelen niet doelmatig en onvoldoende effectief zijn.

Het plan leidt niet tot onaanvaardbare trillinghinder bij de woningen. Het beroep is ongegrond.

Eindhoven, ABRvS, 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2240

Deze zaak gaat over de bestemmingsplannen “Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best”. Een omwonende voert aan dat het plan onvolledig is, omdat de cumulatie van geluid op de gevel van zijn woning niet is berekend en daarom niet kan worden vastgesteld of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Uit de stukken blijkt echter dat er wel een globale berekening van de cumulatie is gemaakt. Er is geen volledige cumulatieberekening gemaakt, omdat de geluidsbelasting van andere bestaande factoren (o.a. de A2/N2), met ongeveer 60 dB vele malen hoger is dan de geluidsbelasting van 45 dB van de in het plan voorziene infrastructuur. De bestaande factoren zijn daarom maatgevend bij het cumulatieve effect. De Afdeling is van oordeel dat er daarom inderdaad geen verdergaande berekening nodig was. Het beroep is ongegrond.

Parkstad Limburg, ABRvS, 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2441

Deze zaak draait om de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het in het provinciale inpassingsplan “Buitenring Parkstad Limburg 2012” opgenomen dwarsprofiel te hoogte van metrering 5200 te Brunssum. Het betreffende inpassingsplan is reeds onherroepelijk. De wijziging houdt in dat zowel aan de noord- als de zuidzijde de helling van het talud wordt verminderd. De bewoner van een woning ter hoogte van metrering 4920 vreest dat daardoor de geluidsbelasting op zijn woning zal toenemen en stelt beroep in.

De appellant betoogt dat het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 had moeten worden toegepast, net als bij het inpassingsplan. Echter, omdat het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 op 1 juli 2012 in werking is getreden, is deze van toepassing op de omgevingsvergunning van 23 juni 2016.


Natuur

Blankenburgverbinding, ABRvS, 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2454

Deze zaak betreft het tracébesluit ‘Blankenburgverbinding’, waarin wordt voorzien in de aanleg van een nieuwe autosnelweg (A24) ten westen van Rotterdam die de A15 verbindt met de A20. Een deel van het tracé wordt als tunnel uitgevoerd. Het beroep tegen het tracébesluit is ingesteld door Natuurmonumenten, de Stichting A4 met Vaart en een aantal omwonenden.

Voor wat betreft het thema geluid richt het beroep zich op de nestlocatie van de boomvalk. Natuurmonumenten en anderen stellen dat een jaarrond beschermd boomvalknest dreigt te worden verstoord. In de natuurtoets wordt namelijk ten onrechte aangenomen dat de geluidbelasting van 60 dB(A) vanwege de bouwwerkzaamheden vergelijkbaar is met een even hoge geluidbelasting vanwege het vaarverkeer.

In de natuurtoets is toegelicht hoe verstoring van de boomvalk bij de realisering van het tracé kan worden voorkomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege de nestlocatie het tracébesluit in strijd is met de Flora- en faunawet. De stelling dat de geluidbelasting in de huidige situatie van een andere aard zou zijn dan die veroorzaakt door de aanleg is hiertoe onvoldoende. Het beroep is, zowel op dit punt als op de andere aangevoerd argumenten, niet gegrond en de Blankenburgverbinding mag worden aangelegd.

 


Trillingen

Heeze-Leende, ABRvS, 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2415

In een tussenuitspraak over het bestemmingsplan ‘De Bulders’ geoordeeld dat onderbouwd moet worden at ten gevolge van het gebruik van de in het plan beoogde randweg geen onaanvaardbare trillinghinder zal optreden. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad door DPA Cauberg-Huygen alsnog dit onderzoek laten doen. Voor dit onderzoek zijn veldmetingen gedaan op de Buldersweg met behulp van een vrachtwagen en is gebruik gemaakt van een rekenmodel op basis van de SBR-richtlijn, deel B: “Hinder voor personen in gebouwen”.

De appellanten hebben het rapport van DPA Cauberg-Huygen laten beoordelen door Peutz B.V.. In de betreffende notitie is vermeld dat de werkwijze van het uitgevoerde trillingonderzoek niet onjuist is, maar Peutz wijst er wel op dat er een relatief groot aantal variabelen in de berekeningen van het trillingonderzoek zit, waardoor de betrouwbaarheid van de uitkomst doorgaans afneemt.

De Afdeling ziet geen aanleiding om de uitkomsten van het trillingonderzoek van DPA Cauberg-Huygen in twijfel te trekken. Hierbij is van belang dat de onzekerheden in de uitkomsten van het rekenmodel zo klein mogelijk zijn gehouden door ter plaatse veldmetingen te verrichten en door een overschrijdingskans toe te passen op de uitkomsten van het rekenmodel. Het beroep is ongegrond.


Stemgeluid horeca

Peel en Maas, ABRvS, 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2114

Eens te meer stelt de Afdeling dat bij het bestemmen van horecamogelijkheden buiten, het stemgeluid betrokken dient te worden bij de toets op een goede ruimtelijke ordening.


Windturbines

Groningen, ABRvS, 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2225

De Afdeling geeft aan dat, indien de geluidsbelasting vanwege windturbines, voldoet aan de standaardnormering van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, er van kan worden uitgegaan, dat er geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor de gezondheid.


Industrie

Houten, ABRvS, 4 juli 2018 ECLI:NL:RVS:2018: 2194

Een diervoederfabriek heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen, vanwege geconstateerde overtredingen van de grenswaarde voor piekgeluiden in de nachtperiode, vanwege het plaatsvinden van en vrachtwagen beweging.

In dit besluit is het volgende vermeld:

“Wij gelasten [appellant sub 1] dat de inrichting een herhaling van de overtreding artikel 2.3 onder a van de Wabo jo. vergunningsvoorschrift 4.2 en van artikel 2.1, 1e lid onder van de Wabo voorkomt althans achterwege laat. Hij dient aan deze last uitvoering te geven en de vastgestelde geluidsnormen niet te overschrijden door:

  1. geen vrachtwagens buiten de vergunde bedrijfstijden meer vanuit de inrichting te laten vertrekken noch
  2. vrachtwagens buiten de bedrijfstijden binnen de inrichting toe te laten.”

Omdat de vergunde bedrijfstijden lopen vanaf 06.00 uur en de geconstateerde overschrijdingen zijn geregistreerd tussen 06.00 en 07.00 uur, oordeelt de Afdeling:

Vrachtwagenbewegingen buiten de vergunde bedrijfstijden brengen mee dat in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een onvergunde activiteit plaatsvindt, maar niet per se dat geluidgrenswaarden worden overschreden. Andersom betekent het overschrijden van geluidgrenswaarden niet per se dat in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, buiten de vergunde bedrijfstijden wordt gewerkt.

De last is niet deugdelijk geformuleerd.

Rotterdam, ABRvS, 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2325

De afdeling heeft een logiesfunctie als geluidsgevoelig aangemerkt, omdat:

  • Het begrip woningen niet is gedefinieerd in de planregels
  • Er aansluiting wordt gezocht bij normaal spraakgebruik
  • Dat het gebouw voor zelfstandige bewoning wordt gebruikt, omdat er sprake is van voldoende duurzaamheid van de logiesfunctie (enkele maanden tot jaren)

Heiloo, ABRvS, 16 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018: 2379

Omdat niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid uit de brochure Bedrijven en milieuzonering, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk, ook al betreft het een kleine inrichting. Op voorhand is niet uit te sluiten dat het bedrijf zal leiden tot ernstige hinder.

Leave Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *